Groep 3

 

 

De Mol

  • De mol kan heel goed ruiken.
  • Hij kan graven. En maakt gangen.
  • En molshopen maken.
  • Ze eten pieren en kleine beestjes. En soms wel 50 wormen per dag.
  • De mol is blind, want hij heeft geen ogen. Dus hij moet voelen.
  • De pootjes kunnen goed krabben.
  • En ze zijn roze.
  • Mensen vinden een mol niet leuk in hun tuin.
  • Hij heeft een kleine staart.
  • Hij is zwart.
  • Hij is klein.
  • Het is een zoogdier.
  • De mol heeft een lange spitsneus.
  • De vos eet de mol op.
  • Mollen kunnen onder de grond harder lopen, dan boven de grond.
  • Mollen worden soms doodgemaakt door mollenklemmen.
  • De mol loopt de hele tijd heen en weer door de gangen om te kijken of er wormen te vinden zijn.

 

 

Themaweek griezelen

  • We hebben een skelet gemaakt.
  • We hebben ook een wit blad zwart of blauw gemaakt. En daar takjes op geplakt en oogjes.
  • Een spin hebben we ook gemaakt.
  • En spookjes.
  • En griezeltekeningen.
  • En vleermuizen! We hebben heel veel geknutseld.
  • Samen hebben we een film gekeken van Foeksia de heks.
  • De klas was heel erg eng!
  • De juffen hebben ook voorgelezen uit het boek van meester Kikker.
  • Meester Martin heeft op het podium gelezen. Het boek Foeksia.

Brandweer

  • Er was een poederblusser en schuimblussers in de brandweerauto.
  • De helmen lagen in de brandweerwagen.
  • Er zitten 6 mensen in de brandweerwagen.
  • Er lage en grote hamer in de auto en er was een waterslang.
  • Het leukste was dat juf de helm op deed. Jesse H mocht een foto maken.
  • Er lagen ook tangen in de wagen.
  • Dit was geen ladderwagen, dit was een bluswagen.
  • De brandweer blust branden en ze halen katten uit de bomen. Ze redden mensen uit het water.
  • De brandweer liet een brandalarm voor thuis zien.